woensdag 30 januari 2013

C: Moestuin deel 5: Bemesten


Een stapsgewijze opsomming over het opzetten van een ecologische moestuin op zandgrond.
Vandaag deel 5:

Bemesten:

Iedereen die een moestuin heeft en daar oogst van afhaalt, zal vroeger of later moeten bemesten. Je haalt immers voedingsstoffen uit de grond weg, in de vorm van oogst, die weer aangevuld zullen moeten worden. Met bemesten maak je het mogelijk om de nieuwe oogst weer van voedingsstoffen te voorzien. Doe je dit niet dan raakt de grond uiteindelijk uitgeput, en daarmee ook je oogst.

NPK:

Als je gaat bemesten zijn er 3 voedingsstoffen die het belangrijkste zijn. Dat zijn Stikstof (N), Fosfor (P) en Kalium (K). Overigens zijn dit niet de enige stoffen waar je op moet letten, maar omdat vaak meststoffen in een NPK-verhouding gemeld worden, behandel ik ze apart.

Stikstof-nitrogen (N): Zorgt voor de bladgroei van een plant. Het werkt aan de opbouw van eiwitten waarmee een gewas in een goede kleur en sterkte groeit. Daarmee speelt stikstof een sleutelrol in de voedingsstoffen. 
Stikstofgebrek komt bij zandgronden vaker voor omdat het de neiging heeft om uit te spoelen bij regen. Ook een koud voorjaar of het veel inwerken van bijvoorbeeld stro of houtsnippers "vreet" stikstof waardoor er een tekort kan onstaan.
Te weinig stikstof uit zich in gewassen met gele bladeren onderaan de plant en een ondermaatse groei.
Te veel stikstof zorgt voor een snellere groei maar óók voor zwakkere planten, vatbaar voor ziektes. Teveel stikstof verbrandt de plant en geeft veel blad, weinig bloem. Als je teveel stikstof hebt gestrooid kun je extra kalium strooien voor evenwicht.
Bron: Stalmest, bloedmeel, hoornmeel.

Fosfor-phosphorus (P): Versterkt de capaciteit van een plant. Een gezond wortelstelsel, de bloem- en zaadgroei en de vruchtrijping. Het is ook belangrijk in de eerste groeifase van de plant. Fosfor spoelt minder snel weg bij regen. Fosforgebrek komt voor als er teveel ijzer en aluminium in de grond zit, en bij zuurdere grond.
Te weinif fosfor uit zich in gewassen met een vertraagde groei, en een dofpaarse of donkerblauwgroene bladkleur.
Bron: Meststoffen, beendermeel, thomasslakkenmeel.

Kalium-potassium (K): Zorgt voor de stress-bestendigheid en algemene weerstand van een plant. Een sterk wortelstelsel, stevigheid, scheutgroei en het beschermt tegen droogte. Vooral voor vruchtdragende gewassen. 
Te weinig kalium uit zich in gewassen door bruine randen langs de bladeren (soms ook vlekken, omkrullen en afvallen) De vruchten hebben een vale kleur.
Te hoog gehalte aan kalium geeft gedrongen groei, uitval en magnesiumgebrek.
Bron: Compost, houtas, vinasse-extract.

De hoeveelheid NPK staat vaak als een verhouding weergegeven, waaruit je kunt opmaken hoe de samenstelling van deze drie voedingsstoffen ten opzichte van elkaar is.)
 Een paar voorbeelden:
NPK 15:1:1 bij bloedmeel, hoog in stikstof dus. 
NPK 5:2:2 bij visafval
NPK 20:20:20 bij kunstmest (op alle fronten heel hoog)
NPK 1:1:1 bij oude stalmest (meer een grondverbeteraar dan een voedingsstof)

Waarom organische meststoffen, en geen kunstmest:

Als je gaat bemesten heb je de keus uit organische meststoffen of minerale meststoffen (kunstmest). Bij een ecologische moestuin kies je nóóit voor minerale (kunst)mest. En als ik iets kan benadrukken dan is het om vooral ook GEEN kunstmest te gebruiken. Nooit!

Een kunstmest is samengesteld in een voor de plant makkelijk opneembare vorm, de minerale vorm. Het zorgt voor rechtstreekse voedingsstoffen in zeer hoge concentraties. De plant krijgt een groeistoot. Dat klinkt heel  positief maar hogere NPK-waarden betekenen niet automatisch gezondere planten. Je overbemest al heel gauw. En snel groeien maakt je plant juist slap en vatbaar voor ziektes. 
Daarnaast is het grote nadeel van kunstmest dat het absoluut helemaal niets doet ter verbetering van het bodemleven. Voor de organismen die in de aarde leven rondom te planten, de structuur van de grond. Met als gevolg dat de bodem juist verslechterd (bijvoorbeeld dichtslaat) en verarmt.
Organische meststoffen daarentegen worden niet meteen door de plant opgenomen maar moeten eerst worden afgebroken naar een voor de plant opneembare minerale vorm. Deze afbraak gebeurt in de bodem door het bodemleven. Organismen zoals wormen, insecten, bacteriën, gisten en schimmels doen dit. Een rijk bodemleven zorgt niet alleen voor een goede "voorvertering" voor de planten, doordat het leeft en kruipt onder de grond verbetert het ook de structuur, de beluchting etc.

Een goede bodem is grond waarin afgestorven plantaardig materiaal, verweerd gesteente (mineralen), lucht en water aanwezig is. De structuur is goed, kruimelig en doorlatend met een evenwichtig bodemleven en een goede zuurgraad. Als er iets is waar je goed voor moet zorgen, dan is het de bodem. Het is letterlijk de basis van een goede oogst.

Wat nog meer:

Waar kunststof (enkel NPK) ook geen rekening mee houdt is welke andere voedingsstoffen of elementen de bodem nodig heeft naast stikstof, fosfor en kalium. 
Magnesium bijvoorbeeld is iets wat op lichte zandgronden ook snel uitspoelt. Een gebrek daaraan zie je door vergeling van de bladnerf (rest van blad nog groen) Bron: Kieseriet, epsomzout.
Boor (Borium) spoelt ook op zandgronden snel uit. Te weinig boor geeft breekbare stengels, groeistoornis en uitval. (teveel is schadelijk voor bepaalde fruitbomen)
Mangaangebrek geeft bladspikkels, IJzergebrek geeft zwakke stengels en vergeling van het blad tussen de nerven. etc. 
Door het gerbuik van organische mest, zoals bijvoorbeeld oude stalmest, waar van nature meerdere elementen inzitten, vang je dat probleem op. Kunstmest doet dat niet.

Extra aandacht vraagt het gebruik van Kalk in de tuin. Kalk verbetert de vertering van organisch materiaal in de grond waardoor voedingsstoffen beter worden vrijgegeven. Het is ook het middel waarmee je de zuurgraad van de grond bepaalt. De Ph-waarde. Sommige planten houden juist van kalkrijke of juist zure grond. De meeste planten zitten echter het liefst iets onder de Ph 7 (in ieder geval boven de Ph 4,8) (Hoe hoger het getal hoe kalkrijker en dus minder zuur) Zandgronden zitten rond de Ph 5,5-6,5. Kleigronden zijn vaak zuurder. Kalk bijstrooien is dus bijna altijd een must. Maar pas op, als je alleen kalk geeft en geen meststoffen dan raakt de grond letterlijk uitgemergeld.
Er zijn bij tuincentra testjes te koop waarmee je de zuurgraad van je grond kunt testen.

Hoe en wanneer bemesten:

Organische meststoffen zorgen voor een langzame afname en kunnen in principe het hele jaar gegeven worden. Toch zijn er ideale en minder ideale perioden. Na half augustus wordt er over het algemeen niet meer bemest. In de herfst en winter is de tuin in rust en hoeft er ook niet bemest te worden. (Op zandgronden loop je dan overigens ook de grote kans dat het meeste gewoon wegspoelt.) De meest gebruikte periode is in het voorjaar. Vanaf maart, eventueel nog een keer rond de langste dag. (Goed verteerde stalmest, gedroogde koemestkorrels, compost, bloedmeel etc.)

Kalk geef je tussen november en begin februari. Zorg daarbij dat er minimaal één maand zit tussen kalken en zaaien, want kalk werkt kiemremmend.

Wat bemesten:

Niet ieder gewas vraagt trouwens evenveel bemesting. En niet ieder gewas doet het even goed op een mestgift. In het volgende delen ga ik daar dieper op in.

Geen opmerkingen: