donderdag 17 januari 2013

C: Moestuin deel 3: teeltplan

Een stapsgewijze opsomming over het opzetten van een ecologische moestuin op zandgrond.
Vandaag deel 3:

Het teeltplan (3 gouden regels):


Buiten ligt een dik pak sneeuw. Alle activiteiten ín de moestuin liggen stil, maar dat houdt niet in dat je niet met je moestuin bezig kunt zijn! Nu is de perfecte tijd om je teeltplan te maken of bij te stellen.
Een teeltplan is niets meer of minder dan bepalen wat je komend jaar gaat zaaien en planten, en waar het komt te staan in je moestuin.
Bij het bepalen van je teeltplan zijn er een drie gouden regels:

  • Plant of zaai alleen groenten en fruit die jij (en je gezin) lekker vindt en ook écht gaat eten. Het heeft namelijk weinig zin om een prachtige moestuin te hebben als je niets lust van de oogst. Lijkt me logisch, toch?
  • Plant en zaai alleen datgene waar je moestuin zich voor leent. Dat heeft met grondsoort, zonlicht en ruimte te maken. Nu kun je de grondsoort plaatselijk wel aanpassen voor bepaalde planten of struiken, maar als je veel schaduw in je tuin hebt of maar beperkte ruimte dan kun je daar maar beter rekening mee houden. Dat voorkomt een hoop frustratie. (over het algemeen geldt: Gewassen waarbij het gaat om blad of stengel kunnen wel wat schaduw verdragen (3-6 uur zon per dag) zoals: Sla, snijbiet, brocolli, bloemkool, bonen, peulen, rode biet, spruitjes, spinazie etc. Gewassen waarbij het gaat om fruit of wortel willen graag veel zon (6-8 uur zon per dag).
  • Plant en zaai alleen datgene waar je ook tijd voor hebt. Je hebt makkelijke gewassen en meer tijdrovende gewassen. Ben je niet in staat om veel tijd te steken in het verzorgen en bijhouden van je moestuin, richt je tuin daar dan ook op in. Bijvoorbeeld met gewassen die niet erg vatbaar zijn voor ziekten, vorst of droogte, niet snel doorschieten, wel veel bodem bedekken zodat onkruid minder kans krijgt, enz.
Verder zijn er nog een aantal zaken waar je rekening mee kunt houden om het allemaal net ietsje leuker en makkelijker te maken. Bijvoorbeeld:
  • Heb je beperkte ruimte, dan is het principe van "de makkelijke moestuin" waarschijnlijk het meest geschikt. In de tijd dat ik maar een paar vierkante meter tot m'n beschikking had was dat het meest ideaal. Maar kun je meer uitpakken qua ruimte dan is een teeltschema onmisbaar. Zo'n schema maakt gebruik van teeltwisseling (of vruchtwisseling) en combinatieteelt. Daarover straks meer.
  • Richt je ook eens op de gewassen die niet algemeen in de supermarkten liggen. Want in de periode dat je kunt oogsten liggen die groenten vaak ook vrij goedkoop in de supermarkt. Nu is niets zo lekker als vers uit je eigen moestuin, maar ik bedoel maar.. een aparte kleurvariant, of een moeilijk te verkrijgen (vergeten) groente, een bijzondere smaak of vorm. Het kan het allemaal nét iets specialer of economischer maken na alle zorg en liefde die je aan de tuin hebt besteed..
  • Zorg voor risicospreiding en teeltspreiding.  Gok niet op één gewas en zet niet alles tegelijk in de grond. Wil je aardappelen, neem dan vroege, midden en late soorten. Bij aardbeien zowel doordragende als enkeldragende. Kies meerdere soorten sla etc. Op die manier loop je minder risico mocht ergens uitval ontstaan door bijvoorbeeld ziekte, droogte, vorst. En is ook niet alles tegelijk oogstbaar, want dat wordt dooreten anders!
  • Een moestuin is niet alleen groenten. Ook fruit, kruiden of (al dan niet eetbare) bloemen kunnen prima.  Kruidenplanten werken eigenlijk het allerbest bij een moestuin aan huis, zodat je tijdens het koken gauw even wat kunt plukken. Hoe minder vaak je in de moestuin komt hoe beter je daar alleen de langzaam groeiende gewassen neer kunt zetten die je niet per se dagelijks nodig hebt of moet checken. Ik zet bijvoorbeeld geen courgette in de moestuin verderop maar in m'n eigen achtertuintje bij huis. Die dingen groeien zooo snel en zijn eigenlijk het lekkerste als ze niet groter worden dan 20 cm.

Teeltschema:

Bij een teeltschema deel je de gewassen in in een aantal groepen (bedden) en laat je die elkaar ieder jaar afwisselen. Op die manier beperk je het risico op ziekten doordat gewassen niet langdurig in dezelfde grond blijven staan. Voor sommige gewassen is het zelf noodzakelijk dat er een aantal jaar tussenzit eer ze weer in dezelfde grond geplant kunnen worden. De meest gebruikte en optimale indeling gaat uit van een wisselteelt van 6 jaar, dat betekent dus 6 bedden die elkaar afwisselen en steeds een jaar opschuiven. 
Zo'n groepering gaat uit van gewassen die goed bij elkaar in één bed kunnen staan zonder elkaar negatief te beïnvloeden (sterker nog, ze helpen elkaar vaak dmv deze combinatieteelt.) en die ongeveer dezelfde mestbehoefte hebben. Bij de volgorde van de wisseling hou je ook rekening met dezelfde criteria. (Sommige gewassen staan niet lekker in het bed van een voorgaand ander gewas, andere juist wel. En sommige gewassen hebben weinig behoefte aan meststoffen en voelen zich niet goed in een bed wat het jaar ervoor flink bemest is geweest.)

6-jarig wisselplan:

hier werk je met 6 bedden die elkaar jaarlijks afwisselen, de sterretjes geven de mate van mestbehoefte weer: * = geen/matig, ** = veel, *** - zeer veel.
  1. peulgewassen* (vb. bonen, erwten, peulen, linzen)
  2. koolgewassen*** (vb. kolen, spruitjes, broccoli, radijs, raapstelen)
  3. bladgewassen** (vb. spinazie, sla, postelein, warmoes, prei)
  4. vruchtgewassen** (vb. pompoen, courgette, maïs, tomaat, aubergine, paprika, pepers) 
  5. wortelgewassen* (vb. wortelen, ui, biet, knoflook, pastinaak, schorseneer, witlof)
  6. aardappelen* 
Het jaar erop komen de peulgewassen in het bed van de aardappelen en zo rouleert alles een plekje verder omhoog.
Dit is ook het schema wat ik in mijn moestuin aan ga houden. Daarnaast komt er nog een vast bed voor de (groene) asperges, en een vast bed voor de aardbeien. Over de aardbeien zijn de meningen verdeeld. Sommigen beweren dat aardbeien ook ieder jaar mee moeten schuiven, anderen beweren dat ze best een aantal jaar op dezelfde plek kunnen staan. Ik probeer eerst het laatste. Werkt dat niet naar m'n zin dan kan ik ze altijd nog meenemen in het schema.

Het teeltschema in de permacultuur:

Voor de liefhebbers en geïnteresseerden dit extra blokje. Als je richtlijnen van de permacultuur in je teeltplan wilt verweven hou dan rekening met het volgende.
In de permacultuur gaan ze ervan uit dat alles in je tuin zoveel mogelijk verschillende functies heeft (gericht op ofwel mens, dier als een ander plantgewas) liefst minimaal 3 functies. Bijvoorbeeld. Het plaatsen van een bessenstruik heeft functie in de vorm van: oogst als voedsel voor de mens (1), het kan dienen als windkering voor andere gewassen (2) het trekt, en biedt bescherming aan, vogels die je tuin ongediertevrij houden (3).
Tevens gaan ze uit van de regel dat elke functie op zijn beurt weer minimaal 3-maal wordt ondersteund. Bijvoorbeeld, voor de oogst van vruchten moet je niet afhankelijk zijn van één soort bessenstruik, zorg bijvoorbeeld naast een blauwe bes óók voor een framboos en een braam. Zorg naast de bessenstruik ook voor twee andere vormen van windkering voor gevoelige gewassen en voor minimaal 2 andere manieren om ongedierte in je tuin (natuurlijk) aan te pakken. Het is een ultieme vorm van risicospreiding en kan je dus aan het denken zetten wat je allemaal kunt toepassen om je tuin op zo'n natuurlijk mogelijke manier sterk te maken zonder té afhankelijk te worden. De combinatieteelt, waar we het eerder over hadden is daar ook al een voorbeeld van, planten die elkaar helpen, ofwel door ongedierte voor elkaar af te weren, steun te bieden, voor luwte te zorgen, grond voor te bewerken door stikstof te binden etc. Ik hou wel van dat soort puzzeltjes! Volop aan de planning dus!

(Volgende keer: Zaden, hoe en wat.)

zondag 13 januari 2013

C: Dichte appeltaart met "pie-bird"


Eens in de zoveel tijd krijg ik goesting om een taart te bakken. Dan wil ik lekker in de keuken staan en helemaal opgaan in het afwegen en kneden, vullen en versieren. De oven aan, lekkere luchten in huis en tot slot een pruttelend warm gebakje toe. Het heeft zoiets huiselijks en gezelligs, en aangezien het buiten onder het vriespunt is, is het wat mij betreft de ideale tijd.
Dit keer was ik ook getriggerd doordat ik de ouderwetse pie-birds had ontdekt. Geen idee hoe ze in het Nederlands genoemd werden.
Een pie bird, of pie funnel, werd in de 19e eeuw gebruikt om te voorkomen dat dichte, dubbelzijdig gebakken taarten overkookten door de stoomvorming in de vulling. Van oorsprong zijn ze van keramiek en vanuit Engeland maakten ze ze traditioneel in de vorm van een merel, vanwege een bekend kinderliedje waarin bezongen werd hoe 24 merels levend en zingend uit een gebakken taart kwamen ter vermaak van de koning.
Hoe dan ook, dat wilde ik wel eens proberen. Heb afgelopen week gauw een eigen pie-bird gemaakt en vandaag kon ik ermee aan de slag. (Mocht je niet zo'n vogeltje hebben dan is er nog niets aan de hand, tegenwoordig maken ze gewoon een paar sneetjes in de bovenste korst, dan kan de stoom er ook uit!)
Het recept van het deeg is als volgt:
  • 325 gram patentbloem
  • 225 gram zeer koude boter (in kleine stukjes snijden en minimaal 'n uur in de vriezer leggen.)
  • 1 theelepel zout
  • 1 theelepel suiker (van mij mag het wel een stukje zoeter dan dit trouwens, de volgende keer.)
  • 6-8 eetlepels ijswater

Om het deeg te maken werk je het makkelijkste met een keukenmachine. Alle ingrediënten behalve het water in de machine doen en een paar keer kort pulserend mengen. De boter heeft dan ongeveer de grootte van doperwtjes. (Het is niet de bedoeling om het helemaal glad te mengen.) Daarna beetje voor beetje het ijswater erbij en telkens kort pulseren. Als het deeg enigszins samenhangt als je erin knijpt is het goed. Teveel water zorgt voor een taaier deeg.
Met de hand kneden kan ook, maar je moet uitkijken dat je het deeg niet te lang bewerkt. Het mag niet te warm worden. Het deeg blijft iets kruimelig.
Vorm er 2 ballen van en wikkel die afzonderlijk in plastic en leg het minimaal een uur in de koelkast (tot maximaal 2 dagen te bewaren.) Met dit weer kun je het ook gewoon even buiten leggen, nog kouder dan een koelkast!

De vulling kan van alles zijn, van hartig tot zoet. Vandaag heb ik gekozen voor een zoete appelvulling, maar je kunt zelf bepalen hoe of wat, natuurlijk.
Ik nam:
  • 100 gram gewelde rozijnen overgoten met een paar eetlepels bruine rum
  • 600 gram appels in schijfjes (golden delicious of granny smith zijn perfect.)
  • sap van halve citroen
  • 100 gram fijn gehakte amandelen (in keukenmachine) Lichtbruin aangeroosterd zijn ze nóg lekkerder.
  • 200 gram (zelfgemaakte kruidige) appeljam (Had ik nog staan en moest op.)
  • 80 gram suiker
  • kaneelpoeder, koekkruiden, kruidnagelpoeder en/of nootmuskaatpoeder naar smaak.

Een iets plattere, schuine schaal (van glas) is het meest ideaal om de taart in te bakken. Bij een springvorm is de rand zo steil en hoog. Je kunt ook niet spieken of de onderkant al gaar wordt tijdens het bakken. Maar die heb ik niet. Dus dan maar zo. De bodem is voorzien van bakpapier en de randen ingevet met boter en bestoven met bloem.
Als het deeg koel heeft liggen rusten, kun je het eerste bolletje gaan uitrollen. Bestuif het aanrecht en de deegroller met bloem tegen het plakken. Rol het ver genoeg uit dat het de bodem en randen van je vorm kan bedekken, op ongeveer 0,5 cm. dikte. Voorzichtig met oppakken, het deeg breekt redelijk snel.
Voordat de vulling erin gaat bestrooi ik de bodem voor de zekerheid nog met wat paneermeel om vocht op te vangen. Ook wat extra kaneelpoeder erbij voor de lekker.
Het taartvogeltje en de vulling gaan erin.
En daarna de bovenste uitgerolde deeglap erover. Druk de twee randen goed op elkaar aan. Kan met een vork of door het samen te vouwen. Ook om de taartvogel heen goed laten aansluiten, en eventueel verder versieren. Net wat je zelf leuk vindt. Vergeet niet: geen pie-bird, dan een paar sneetjes maken in de bovenste deeglaag om het stoom te kunnen laten ontsnappen.

Voor een gouden korst, besmeer je de taart met een ei-mengsel.

  • het eigeel van 1 ei
  • 1 eetlepel room (onbeslagen slagroom)
Samen even doorkloppen en de bovenkant van je taart helemaal insmeren/kwasten.

Leuk trucje om eigeel van eiwit te scheiden: Breek de inhoud van een ei in een laag schaaltje of schoteltje. Pak dan een leeg klein plastic flesje en knijp daar een beetje in terwijl je het boven tegen het eigeel houdt. Knijp vervolgens iets minder hard en door het vacuüm wordt het eigeel een stukje in het flesje gezogen. Probeer constante druk te houden en zorg ervoor dat het niet helemáál in het flesje gezogen wordt, terwijl je het verplaatst naar een schoon schaaltje. Weer wat harder knijpen en het eigeel floept eruit. Helemaal intact. Leuk he?
Ik was het ei alleen vergeten en had de taart al even in de oven staan toen ik erachter kwam. haha. Alsnog het eimengsel op de taart gedruppeld, maar dat werd lang zo mooi niet meer! Je kunt nu trouwens wel goed zien wat het verschil is tussen wel of geen eimengsel.

De taart bak je in een voorverwarmde oven. De eerste 20 minuten op 200 C. Daarna ongeveer 45 minuten op 175 C. Eventueel kun je de rand van de taart halverwege een beetje bedekken met aluminiumfolie als die te hard gaat.

Het blijft een beetje gokken, maar dat maakt het juist wel spannend. Leuk vond ik ook om te zien hoe de taartkorst een beetje op en neer ging in de oven, alsof die kleine zuchtjes gaf en leefde.
En als het er dan uitkomt, wow! Dat is wel even een échte ouderwets lekkere taart! Schouderklopje Chantal!! Even af laten koelen en smullen maar, op de winter!

zaterdag 12 januari 2013

C: Pannenkoeken met patroontjes

De pannenkoeken bij ons thuis vroeger waren legendarisch. Mijn moeder maakte ze altijd vingerdik. Met zwaar volkorenmeel van de molen en belegd met uien, gesmolten kaas en sesamzaadjes. Of met spek en stroop. Je hoefde er maar één van te eten en je zat meteen vol. Heerlijk wintervoer! 
De flinterdunne, of zelfs gewone pannenkoeken zoals je bij vriendinnetjes wel eens at vond ik daarom altijd maar een beetje mwâh, geen écht eten. Meer een slap tussendoortje.
Stiekem vind ik dat nog steeds wel een beetje, maar inmiddels heb ik ook die tussendoortje wel weten te waarderen. Daarmee kun je namelijk dingen doen die je met dat zware volkorenmeel maar met moeite voor elkaar kreeg. Namelijk kunstzinnige pannenkoekjes maken. Het oog eet namelijk óók mee en soms wil je wel eens wat frivolers op je bord. Voor het toetje bijvoorbeeld, met een bolletje ijs.
Zeg nou zelf, dat ziet er toch prachtig uit!!



Het is ook helemaal niet zo moeilijk. Met een mix pannenkoekmeel van de supermarkt, wat (soja)melk en eieren maak je een niet te dun beslag. Giet dat in een knijpflesje en beginnen maar!
Ik giet een patroontje in een warme pan terwijl het van het vuur af staat. (Let erop dat het tuutje niet de warme pan raakt, daar smelt het van.) Daarna terug op de pit en het vuur voor een minuutje hoger tot het loskomt en makkelijk gedraaid kan worden. Daarna nog een half minuutje op de andere kant en dat is het. Een anti-aanbaklaag is hier wel erg handig. En ook tussen de pannenkoeken door ga ik er steeds even met een ingeölied keukenpapiertje overheen. Maar meer is het ook niet. Heb het ondertussen zelfs kunnen filmen! (Al heb ik wel tussendoor de saaie bakstukken even overgeslagen, dat leek me wel duidelijk.)
Natuurlijk kun je ook andere figuurtjes maken. Niet alleen voor kinderen leuk hoor! Ook m'n man glunderde ervan. Speciaal voor hem had ik een salamander gemaakt maar die zag er een beetje platgereden uit. (Daar een klodder (rode) jam bij en het wordt wel erg luguber! haha..leuk voor halloween!) Onderstaande voorbeelden zijn wat kindvriendelijker.
Hopelijk krijgen jullie net zoveel zin om iets moois te maken als je krijgt om het op te eten!!
Ben benieuwd wat jullie ervan bakken!
Fijn weekend allemaal.

vrijdag 11 januari 2013

C: Moestuin deel 2: in weer en wind

Een stapsgewijze opsomming over het opzetten van een ecologische moestuin op zandgrond.
Vandaag deel 2:

In weer en wind

Voordat ik zover ben dat ik mijn pas ontgonnen stukje moestuin ga inrichten, ben ik eerst eens goed gaan kijken naar de ligging ervan en naar de nabije omgeving. Veel van het succes van een goede moestuinoogst zit 'm namelijk in het gegeven in hoeverre weer en wind toegang hebben tot je tuin. Dat kan in je voor -of nadeel werken. Door daar nu al rekening mee te houden en op in te spelen kun je proberen een zo'n optimaal mogelijke situatie te creëren.
Het meest ideale zou zijn als je helemaal vanaf 0 start en zelf kunt bepalen waar je je tuin gaat plaatsen zodat je meteen de perfecte ligging kunt uitvoeren. Bij een volkstuinvereniging is die vrijheid er niet helemaal. Je neemt een tuin over en die ligt al zoals die ligt. Maar ook dan zijn er nog wel voorzorgsmaatregelen die je kunt treffen om er het beste uit te halen.

 Zonlicht

In Nederland is de zon geen vanzelfsprekendheid, onze zomers zijn over het algemeen onberekenbaar en wisselvallig. Vandaar dat we moeten proberen om zoveel mogelijk te profiteren van alle zon die we pakken kunnen. Dat krijg je het best voor elkaar door de zuidkant van je tuin helemaal open te laten, de kant waar de zon 's middags op haar sterkst is, en van daaruit van lagere naar hogere gewassen op te bouwen. (Bijvoorbeeld de bedden eerst en daarna pas struiken en tot slot bomen.) Op die manier hoeft niets onbedoeld in elkaars schaduw te staan. Het is dus niet gek om eens een kompas mee te nemen en goed te kijken waar noord, oost, zuid en west is. Schaduw en zon bepalen voor een groot deel wat je waar kunt verbouwen. Bladgroenten houden wel van een beetje schaduw, maar het merendeel wil toch wel in het zonnetje staan. 
Ik ben best tevreden met de ligging van mijn tuin. Ingang op zuidoost. Geen grote bomen bij m'n (over)buren die zon wegnemen gedurende de loop van de dag. En de geërfde appelbomen staan mooi achterin de tuin. Daar zal het dus niet aan liggen.

Zonnewarmte

Naast het licht is ook de warmte van de zon een factor die het een en ander in de moestuin bepaalt. Want naast openheid voor het licht wil je óók beschutting om de warmte zo lang mogelijk te behouden of zelfs te versterken. Een moestuin die helemaal in het open veld ligt is dus niet zo'n goed idee. Van oudsher plaatste men daarom een haag helemaal om de moestuin heen, maar ook daar heb ik tegenstrijdige berichten over gehoord. Het moet er eerder een beetje tussenin liggen. Bij het kopje "wind" zal ik daar wat verder op ingaan. (temperatuur en wind gaan vaak samen)
Het verhogen van de groentebedden is wel een beproefd middel om de grond plaatselijk wat sneller op te laten warmen, wat de oogst ten goede zal komen. 15-20 cm. is al afdoende.
De meest succesvolle manier om meer warmte in je tuin te krijgen is door het gebruik van een kas. Beschutting achter glas of plastic stelt je in staat om zelfs gewassen te verbouwen die eigenlijk niet in ons klimaat thuishoren. Of om je seizoen aanzienlijk te verlengen omdat je vroeger in het jaar kunt beginnen en langer door kunt gaan. Soms zelfs het hele jaar door! Nu hoeft dat niet meteen te betekenen dat je een enorme kas in je tuin moet plaatsen, zelfs een plastic koepel over een bed kan al voldoende zijn. Net wat je van plan bent, maar al wel goed om eens over na te denken nu alles nog kan.

Wind

Wind lijkt heel negatief te zijn want over het algemeen denk je aan koude wind. Maar wind kan ook warme lucht aanvoeren. Het is dus niet iets wat je moet proberen tegen te houden en dat is meteen ook de voornaamste reden om niet je hele tuin ondoordringbaar te omheinen. De zuidzijde is sowieso een zijde om zoveel mogelijk open te laten vanwege de zon (ook het lage winterzonnetje). Maar vanuit sommige windrichtingen kun je het beter wel temperen. 
In Nederland hebben we gemiddeld een zuidwestenwind. (Dat is niet zozeer een koude wind als wel een vochtige.) Wind wat uit het oosten komt voert 's winters koude lucht aan maar in de zomer juist warme lucht. Wind uit het westen doet dat overwegend andersom. Uitgaande van een moestuin, die van voor-tot najaar actief is, kun je dus het beste een windkering voorzien aan de noordwest kant, de kant waar dan de koudste winden zijn te verwachten. En laat je de zuidoost kant open. 
Volgens de kenners werkt een haag het beste. Of lage struiken. Maar ook gewassen uit de moestuin zelf zijn soms geschikt. Erwten of stokbonen zijn niet zo windgevoelig, aardpeer wordt veel gebruikt als windkering. Of planten als zonnebloem etc. Belangrijk is in ieder geval dat de wind geen vrij spel heeft maar ook niet helemaal wordt tegengehouden. Op die manier blijft de balans het beste. 
Bij ons op het complex is het niet toegestaan om hagen als grensscheiding te planten. En de grote conifeer, die precies op het noordwesten staat, wordt weggehaald. Er moet dus zeker wat in de plaats komen om de koude wind te filteren. Gedeeltelijk wordt dat de vlier, op het achterste stuk, en het huisje van de buren helpt ook wel mee maar dan blijven er nog wel wat gaatjes over die m'n aandacht verdienen.

Regen

Daar hebben we genoeg van. Misschien wel teveel. Nederland staat nou niet bepaald bekend als een droog land. Wat zandgrond betreft hebben we een voordeel op dat punt, dat watert goed af en gemiddeld liggen we wat hoger. Maar ook dan kan het grondwaterspiegel soms behoorlijk stijgen. Ik merkte het deze natte decembermaand al bij het opschonen van de tuin. Langdurige natte grond laat plantenwortels rotten en verdrijft het bodemleven. Ook hier helpt het al om verhoogde bedden te maken. Of tenminste een iets bol gemaakte grond zodat het naar de zijkanten kan afwateren. En in het uiterste geval kun je eventueel nog een greppel graven, maar ik denk eerlijk gezegd niet dat het hier zover hoeft te komen.

In de praktijk

Nu ik bezig ben met m'n teeltplan en de indeling, hou ik rekening met de ligging van de tuin ten opzichte van de zon en wind. Maar dan nog ben ik gedeeltelijk gebonden aan vaste patronen. Ik deel de ingang en het lange pad van de tuin met een buurman. Die kan ik niet verleggen. Verder is de tuin smal en diep. Het meest economisch qua ruimte is om de bedden haaks op het lange pad te leggen, al liggen ze dan niet in de ideale noord-zuid richting. Maar binnen die begrenzingen zie ik nog een hele hoop mogelijkheden. En over het algemeen vind ik dat ik dik tevreden mag zijn met de ligging van de tuin en de omgeving. Uiteindelijk is het toch wat je er zelf van maakt, nietwaar?

(Volgende keer: Het teeltplan.)

zaterdag 5 januari 2013

C: Moestuin deel 1: ontginnen

Eind november 2012 kreeg ik mijn langverwachte eigen tuin (van bijna 100 M2) toegewezen bij de plaatselijke volkstuinvereniging. Een geschenk uit de hemel, want dit betekent dat ik nu eindelijk de ruimte heb om weer flink uit te pakken, nadat ik een paar jaar m'n gerief kwijt moest op slechts 3 vierkante meter!!
Aangezien ik wel helemaal van voren af aan moet beginnen met dit lapje grond leek het me een goed idee om bij te houden wat er allemaal komt kijken bij het opzetten van een eigen moestuin. Zo kan ik in de loop van het seizoen steeds stapsgewijs laten zien wat er aan werkzaamheden om de hoek is komen kijken.
Ik zit hier op zandgrond en mijn voornemen is om ecologisch (klik voor info) te tuinieren met hier en daar een toefje permacultuur (klik voor info).
Vandaag deel 1:

Het ontginnen van de moestuin.

Helaas is het bij een volkstuinencomplex vaak zo dat als je een tuin overneemt, dit niet de meest bijgehouden tuin is die er bestaat. De vorige huurder heeft namelijk vaak z'n redenen gehad om er mee te stoppen, meestal omdat er flink de klad in is gekomen. Je kunt dan dus wel verwachten dat je niet meteen kunt beginnen met zaaien en planten, maar dat je daarentegen eerst de tuin weer van onkruid en verwoekering moet verlossen.
Zo ook in mijn geval. Brandnetel, braam en zevenblad zag ik, en dat hield automatisch in dat er meer sprake was van alles rigoureus ontginnen en opschonen, dan alleen maar wat schoffelen en wegtrekken. Pfoe.. een hels karwei, kan ik je zeggen. Ik begon een beetje overmoedig de eerste keer en werkte veel te lang door. Het gevolg.. flinke spierpijn en zelfs een week of twee rugpijnscheuten. Niet goed! Gelukkig viel er daarna sneeuw en had ik een goede reden om het rustiger aan te doen.
In de kerstvakantie (twee weken vrij!) heb ik wel weer veel kunnen doen. Het weer was zacht en met buienradar kon ik de regen omzeilen. Iedere dag ben ik gegaan (m.u.v. 1e kerstdag en nieuwjaarsdag) en iedere dag nam ik me voor om maar een strekkende meter voor m'n rekening te nemen. Het moet wel te doen blijven namelijk, beter voor m'n rug én m'n gemoed! En zo ploegde ik langzaam maar gestaag voort. Met het volgende resultaat:
14 meter aan grond opgeschoond. Met een breedte van bijna 4 meter. Dat is zo'n 55 vierkante meter in totaal, zonder rugpijn!! Ik ben erg in m'n nopjes met mezelf.

Techniek van opschonen:

Ik ben niet zo voor het spitten van de grond. Ben van mening dat dat voor zandgrond ook helemaal niet nodig is. Dat is van nature al los en luchtig genoeg. (Voor kleigrond is dat uiteraard anders.) Het grote nadeel van spitten is dat je de grondlagen met de bodemorganismen danig in de war schopt. Die hebben van nature een bepaalde gelaagdheid naar zuurstofbehoefte wat je dan helemaal overhoop gooit.. dat komt een evenwichtige bodem niet ten goede.
Bovendien heb je grote kans dat je met spitten oude zaden omhoog haalt die dieper in de grond lagen te wachten, met als gevolg dat er al gauw meer gaat ontkiemen dan je wilt.
Maar in het geval van zevenblad (aaaghr, bestaat er een erger onkruid?!?) en brandnetel is spitten ook niet de beste methode. Door spitten zul je al gauw de wortels daarvan doormidden steken, en zoals je misschien wel weet zal elk stukje wortel weer uitgroeien tot een nieuw plantje...al is het maar een halve centimeter lang. In plaats van dat je weghaalt maak je er alleen maar meer van! Dat kan niet de bedoeling zijn.
De manier waarop ik het heb aangepakt is met de niet kerende methode. Je steekt een riek in de grond en wipt het al schuddend omhoog. De grond raakt los maar valt tussen de tanden omlaag zonder omgedraaid te worden. Wortels blijven aan de tanden hangen en komen mee omhoog waardoor je ze kunt verwijderen. Dit kun je op lastige stukken een paar keer op dezelfde plek herhalen, zodat je alle worteltjes zo goed mogelijk kunt weghalen. Al ben ik niet in de illusie dat ik echt absoluut álles heb weten op te vissen hoor, wel veel. Vooral zevenblad is erg hardnekkig. Het spreekwoord is niet voor niets dat onkruid niet vergaat!

Het is veel bukken. En behoorlijk concentreren. Op een gegeven moment zag ik 's avonds in bed, met m'n ogen dicht, nog steeds wortels op m'n netvlies, haha.. echt waar! En eerlijk gezegd had ik er tegen het eind ook niet erg veel plezier meer in. Maar het belangrijkste deel is gedaan (het groentedeel). Het ontginnen van het achterste stuk (het fruitdeel) komt later. De conifeer wordt ergens binnenkort gekapt. Een grote bananenboom heb ik al weggehaald. Mijn tuinerfenissen (braam, frambozen en druif) zijn gesnoeid. Voorlopig lig ik dus op schema.
Rest me alleen nog om het ontgonnen stuk nu zolang af te dekken (kan met karton of plastic) zodat het zonlicht het achtergebleven onkruid (hopelijk niet veel) niet kan laten ontspruiten. Voor een stuk grond is zo braak liggen erg onnatuurlijk en geen lange termijn optie. Regen zal veel voedingsstoffen uitspoelen. (Het nadeel van zandgrond.)
De volgende stappen zijn het maken van een teeltplan, het maken van de bedden, het naar behoefte voorbereiden/bemesten van de bedden etc. etc. 
Daarover gauw meer want voor je het weet is het al voorjaar! Zucht, had ik maar langer vakantie!

(Volgende keer: Rekening houden met weer en wind).